50 shades of Mister Frosting

Ik ben zelf niet goed in verleiden. Ik ben goed in verleid worden, maar dat is een totaal andere zaak. Dus daar sta ik dan, in een kamer vol onbekenden, sullig tegen de muur te leunen, nippend van een glas water. Ik drink niet, moet je weten, dat is weeral een extra afknapper. Ook één van de redenen dat ik eenzaam in een hoekje ben gedumpt. Mijn vriendinnen hebben namelijk jacht gemaakt op een cocktail, waardoor ik alleen ben achtergebleven. Daarom ga ik dus niet regelmatig naar feestjes: het is er luid, het is er druk, het is er zweterig. Bovendien paradeert iedereen er rond als loslopend wild. En ik? Ik ben gewoontjes…
Maar dan merk ik hem op. Helemaal aan de andere kant van de kamer. Hij is groot, sexy, met een stralende witte glimlach en een gebruinde huid. ‘Niet zo gezond’, zou mijn dokter zeggen, maar wat weet hij er nou van? Ik schrik op, probeer het te camoufleren door mijn rug te rechten, en kijk haastig rond of iemand mijn vreemde gedrag heeft opgemerkt. ‘Rustig blijven’, probeer ik mezelf te kalmeren, terwijl de alarmbellen in mijn hoofd afgaan. Maar ondertussen spelen er zich zo’n duizend verschillende scenario’s voor mijn ogen af. ‘Laat hem naar jou toekomen’, gaat mijn brein verder. Alsof dat ooit zou gebeuren…

 

Onbewust ga ik met mijn tong over mijn lippen. Van verlangen, want zijn brede bovenlichaam lonkt vanaf de andere kant van de kamer. Zijn blauwe onderbroek is net zichtbaar over de rand van zijn uitpuilend buikje. Nog nooit heb ik zoiets perfects in mijn leven gezien. ‘Lekker ding’, schiet door mijn gedachten. Hij is echt wel om op te eten…
Ik wandel de open ruimte in, maar verstijf al even snel. Mijn hoop wordt met de grond gelijk gemaakt. Aan de overkant van de kamer zie ik een stel magere sletten in jaguarprint dichter naar mijn verleider stappen. De onzekerheid slaat plots keihard toe. ‘Wat als hij me niet wil?’ Spreekt een duister stemmetje in mijn hoofd. Mijn verleider is perfect, hij kan iedereen krijgen die hij wil. Wat als hij liever een meisje-meisje wil?
Ik sluit mijn ogen en mijn fantasie neemt de overhand. Ik stel me voor hoe ik met hem op bed lig…samen…elkaar aflikkend…Haastig kijk ik de kamer weer rond en neem een beslissing. Ik begrijp dat als ik vanavond met hem wil buitenstappen, ik nu moet handelen. Hij straalt gewoon “slecht idee” uit, maar dat kan me op dit moment helemaal niets meer schelen. Ik weet zeker dat hij er gewoon hard vanbuiten uitziet, maar dat hij een peperkoekenhartje heeft.

Lees verder

Advertenties

Hartendief

Hij had geen hart. Of zo leek het toch voor hem, want wie heeft er nu geen hart? De officiële naam die de dokters er aan gaven was “cardio-non-alium-ceciderunt-syndroom”. Oftewel “hartgebrek”, zoals hij het noemde. Voor de gemakkelijkheid, want leg maar eens aan de mensen uit dat je wel een hart hebt, maar het niet klopt en je toch kan blijven leven.

Het was een wonder dat hij nog op de aarde rondliep. Een wonder, plus met een beetje hulp van het Lot. Dat was toch wat zijn grootmoeder hem vertelde. Waarschijnlijk de enige persoon die nog echt om hem gaf.

 

“Geven om: werwk. Uitspraak: [‘xevə(n) ɔm] Verbuigingen: gaf om (verl.tijd enkelv.), heeft gegeven om (volt. Deelw.) Gesteld zijn op (iemand). Voorbeeld: ‘Ik geef veel om mijn oma’. Synoniem: Houden van.”

 

‘Houden van…’ Mompelde Adam, terwijl hij de trappen van het ziekenhuis betrad. Het was iets ongrijpbaars voor hem zoals alle andere gevoelens. Haat, liefde, jaloezie, angst, schuld, geluk…Het waren abstracte dingen. Hij kende het wel, wist wat het betekende, maar het zelf effectief meemaken, dàt was hem nog nooit overkomen.

Het was tijd voor Adam zijn maandelijkse controle. Niet dat zijn tikker plotseling op magische wijze zou beginnen werken, die hoop had hij al lang opgegeven. Toch kon het volgens zijn familie geen kwaad om de dokters er naar te laten kijken. ‘Je weet maar nooit’, spraken ze hem dan moed in, ‘…misschien vinden ze wel een remedie.’ Alsof er ooit een geneesmiddel zou worden uitgevonden voor een hart dat niet werkt.

Lees verder

Karma is a bitch

Een haat-liefde relatie, dat was het. Was dat normaal? Een haat-liefde relatie hebben met je beste vriendin, die tevens ook je flatgenoot is? ‘Het overkomt de beste’, zei Els tegen zichzelf. ‘Er zijn al zoveel films over gemaakt, dan moet er een kern van waarheid in zitten.’ Het was niet echt een geruststelling.

 

Die ochtend was er iets in haar geknapt. Die ochtend was de druppel overgelopen toen Els de lange, zwarte haren in het doucheputje had ontdekt. Het waren haar haren niet: zij had kort, blond haar. Het waren de haren van Karma en Karma was een bitch als ze nog steeds niet begreep dat elk normaal persoon het haar na het douchen verwijdert.

Dus nu bevond er zich in de douche een plakkerig goedje krulhaar, gemixt met shampoo die al hevig begon te stinken door de warmte. Ooit had het misschien geroken naar aardbijen, maar nu kon Els enkel kokhalzend staren naar de wit-zwarte brij. Lekker, zo net voor het ontbijt.

En het haar zat niet alleen in het doucheputje. Nee, Karma was erin geslaagd om het douchegordijn, de ooit witte tegels en de muur ermee te behangen.

Innerlijk schreeuwde Els het uit, terwijl ze met open mond gehypnotiseerd naar de plaats van de misdaad keek. De woede borrelde in haar op, Els moest haar handen tot vuisten ballen en in haar mond stoppen om het niet uit te roepen. Els sloot haar ogen en telde tot tien, iets wat zogezegd moest helpen om te kalmeren. Ze liet haar armen zakken en ademde diep in. Terwijl enkel de zenuw in haar oog nog aan het trekken was van pure frustratie, maakte Els de beslissing. Ze zou dit oplossen, waardig en rustig als altijd. Karma moest simpelweg dood.

Lees verder